Kritiek op het protectionisme is vaak terecht. Maar dat betekent nog
niet dat vrijhandel voor iedereen voordelen oplevert, zoals de
aanhangers van de vrijhandel claimen.
Wereldwijd nemen de belastingen op bedrijfswinsten af ten nadele van de belasting op lonen.
De Amerikaans-Indiase econoom Jagdish Bhagwati hekelde in De
Tijd van 3 augustus de hardnekkige mythes over protectionisme. Het
weerleggen van die mythes bevestigt daarom nog niet de claims van
welvaartsstijging voor iedereen waarmee vrijhandelsadepten doorgaans een
verdere vrijmaking van het handelsverkeer bepleiten. Eerder dan me in
te laten met de - vaak terechte - kritiek op de protectionisten, wil ik
daarom hier enkele hardnekkige mythes over de voordelen van vrijhandel
de wereld uit helpen.
De zogenaamde theorie van de comparatieve voordelen van David
Ricardo gaat ervan uit dat bij vrijhandel landen zich zullen
specialiseren in de productie van goederen die ze ten opzichte van
andere landen goedkoper kunnen voortbrengen. Op die manier worden de
schaarse beschikbare middelen (grond, kapitaal, arbeid.) optimaal
ingezet om een zo groot mogelijke output te bereiken. Door dingen te
exporteren die je relatief beter kan produceren, kan je in ruil meer
dingen importeren die je zelf minder goed maakt. Zo doen zelfs landen
die nergens in uitblinken hun voordeel bij vrijhandel en krikken ook zij
hun welvaartspeil op.
Wat daarbij doorgaans vergeten wordt, is dat Ricardo enkele
harde voorwaarden stelde aan zijn theorie, zoals de immobiliteit van
kapitaal of arbeid tussen landen. Zodra kapitaal ongelimiteerd de
grenzen over kan, zijn het eerder de absolute voordelen die tellen in
plaats van de relatieve. In theorie mag je als land dan wel geld
uitsparen door die producten te importeren die goedkoper elders gemaakt
kunnen worden, maar de mobiliteit van kapitaal heeft tot gevolg dat het
uitgespaarde kapitaal niet per definitie terug in eigen land wordt
geïnvesteerd in activiteiten die relatief gezien beter presteren.
Integendeel: het uitgespaarde kapitaal zal daar worden geïnvesteerd waar
de opbrengsten het grootst zijn en dat kan best in een ander land. Het
is dus zeker niet zo dat vrijhandel steeds in het voordeel is van alle
handelspartners en leidt tot een vloed aan welvaart die alle schepen
optilt.
Extra welvaart door vrijhandel zou de welvaartsvoordelen van
exporterende sectoren doen doorsijpelen naar andere sectoren en
bevolkingsgroepen. In de praktijk blijken arbeiders die hun job
verliezen door een verhuizing van de productie naar lagelonenlanden niet
altijd omschoolbaar tot geschikte werknemers in de sectoren die winnen
bij vrijhandel. Als de winnaars bij vrijhandel de welvaartsdaling van de
verliezers niet helpen te compenseren en hun winsten elders investeren,
zal het zogenaamde 'trickle-down'-effect zich in vele gevallen niet
manifesteren.
De New Economics Foundation becijferde dat de wereldwijde
verlichting van de extreme armoede met 1 dollar, in de periode 1990-2001
een mondiale economische groei met 166 dollar vereiste. De extra
welvaart door vrijhandel bereikt dus amper de onderlagen.
Die bedrijfswinsten worden echter meer en meer een 'vliegend
doel' dat door natiestaten nog moeilijk te treffen valt. Een groot deel
van de wereldhandel vindt immers plaats tussen de verschillende filialen
van een en hetzelfde bedrijf. Via het systeem van 'transfer pricing' -
het systematisch onder- of overschatten van de prijs van intermediaire
producten en diensten binnen de ruimtelijk uiteengelegde productieketen
van het bedrijf - kan dat bedrijf zelf beslissen waar in de
productieketen ze haar winsten laat ontstaan. Die ontstaan bij voorkeur
in belastingvrije of -milde regio's. Op die manier worden de
vrijhandelswinsten uit de zuiderse landen weggesluisd. Wereldwijd nemen
de belastingen op bedrijfswinsten af ten nadele van de belastingen op
lonen.
Exportgerichte productie van landbouwproducten voor de
wereldmarkt drukt de productie van basisvoedsel voor de lokale bevolking
weg. De inkomsten die de schaarse grootgrondbezitters daardoor
genereren, worden vooral gebruikt voor de import van luxegoederen uit
het buitenland. Ook aan die inkomsten hebben de lokale economie en de
armen dus niets. Vrijhandel zorgt daardoor vaak voor meer honger in
plaats van minder.
Extra welvaart door vrijhandel zou volgens de zogenaamde
Kuznetscurve leiden tot een kleinere impact op het milieu. Meer
welvarende burgers eisen dan meer milieubeschermende maatregelen en
nieuwe technologische mogelijkheden maken die ook mogelijk. Onderzoek
maakt echter duidelijk dat die relatie niet opgaat voor mondiale
milieuproblemen zoals de opwarming van de aarde. Hier geldt: hoe
welvarender de landen, hoe vervuilender. In een vrijgemaakte wereldmarkt
ontstaat bovendien de druk om natuurlijk kapitaal (minerale en
biologische grondstoffen) om te zetten in economisch kapitaal. Een
gekapte boom is op de wereldmarkt meer waard dan een levende. Bovendien
remt de door vrijhandel aangespoorde internationale concurrentiestrijd
overheden af om via regulering milieukosten te vermijden of door te
rekenen (regulatory chill). Kijk maar naar de discussie over de
vrijstelling van sectoren in de veiling van uitstootrechten binnen het
Europees emissiehandelssysteem. De sectoren die blootstaan aan
koolstoflekken (het verschuiven van investeringen en marktaandelen naar
regio's zonder regulering) zullen niet (ten volle) moeten betalen voor
hun uitstoot.
Kortom: meer vrijhandel die niet maatschappelijk is ingebed
zorgt niet voor de vloedgolf van welvaart die - zoals de theorie wil -
alle schepen optilt. Integendeel, vele schepen slaan erdoor te pletter,
zonder dat de drenkelingen door andere schepen worden opgepikt. De
internationale mobiliteit van kapitaal, de onevenwichtige
machtsverhoudingen tussen naties, de kwetsbaarheid van een land door de
doorgedreven specialisatie in eigen comparatieve voordelen, de problemen
met de interne distributie van de gecreëerde handelsvoordelen, de
normenverlagende dynamiek,... Al die elementen hebben tot gevolg dat
vrijhandel vaak in het nadeel is van de economische ontwikkeling van een
land en de realisatie van sociale en ecologische doelstellingen
belemmert. Alvorens de handel met de wereldmarkt verder vrij te maken,
hebben we nood aan 'eerlijke handel' in een globaal reglementair kader
dat herverdelend werkt, de toegang tot de biosfeer regelt,
ontwikkelingslanden de kans geeft hun landbouwsector af te schermen ten
voordele van voedselzekerheid en minder ontwikkelde landen toelaat hun
economie eerst binnen regionale markten te integreren en toegevoegde
waarde te creëren door verdere verwerking.
Kritiek
op het protectionisme is vaak terecht. Maar dat betekent nog niet dat
vrijhandel voor iedereen voordelen oplevert, zoals de aanhangers van de
vrijhandel claimen.
De Amerikaans-Indiase econoom
Jagdish Bhagwati hekelde in De Tijd van 3 augustus de hardnekkige
mythes over protectionisme. Het weerleggen van die mythes bevestigt
daarom nog niet de claims van welvaartsstijging voor iedereen waarmee
vrijhandelsadepten doorgaans een verdere vrijmaking van het
handelsverkeer bepleiten. Eerder dan me in te laten met de - vaak
terechte - kritiek op de protectionisten, wil ik daarom hier enkele
hardnekkige mythes over de voordelen van vrijhandel de wereld uit
helpen.
Mythe 1: Alle bij vrijhandel betrokken landen gaan erop vooruit.
De
zogenaamde theorie van de comparatieve voordelen van David Ricardo gaat
ervan uit dat bij vrijhandel landen zich zullen specialiseren in de
productie van goederen die ze ten opzichte van andere landen goedkoper
kunnen voortbrengen. Op die manier worden de schaarse beschikbare
middelen (grond, kapitaal, arbeid…) optimaal ingezet om een zo groot
mogelijke output te bereiken. Door dingen te exporteren die je relatief
beter kan produceren, kan je in ruil meer dingen importeren die je zelf
minder goed maakt. Zo doen zelfs landen die nergens in uitblinken hun
voordeel bij vrijhandel en krikken ook zij hun welvaartspeil op.
Bart Martens
Vlaams volksvertegenwoordigerc voor de sp.a.
Is het niet eens met de stelling dat vrijhandel altijd zaligmakend is.
Pleit daarentegen voor 'eerlijke' handel die het ook mogelijk maakt sociale en ecologische doelstellingen te realiseren.
Wat
daarbij doorgaans vergeten wordt, is dat Ricardo enkele harde
voorwaarden stelde aan zijn theorie, zoals de immobiliteit van kapitaal
of arbeid tussen landen. Zodra kapitaal ongelimiteerd de grenzen over
kan, zijn het eerder de absolute voordelen die tellen in plaats van de
relatieve. In theorie mag je als land dan wel geld uitsparen door die
producten te importeren die goedkoper elders gemaakt kunnen worden, maar
de mobiliteit van kapitaal heeft tot gevolg dat het uitgespaarde
kapitaal niet per definitie terug in eigen land wordt geïnvesteerd in
activiteiten die relatief gezien beter presteren. Integendeel: het
uitgespaarde kapitaal zal daar worden geïnvesteerd waar de opbrengsten
het grootst zijn en dat kan best in een ander land. Het is dus zeker
niet zo dat vrijhandel steeds in het voordeel is van alle
handelspartners en leidt tot een vloed aan welvaart die alle schepen
optilt.
Mythe 2: Vrijhandel leidt tot minder armoede.
Extra
welvaart door vrijhandel zou de welvaartsvoordelen van exporterende
sectoren doen doorsijpelen naar andere sectoren en bevolkingsgroepen. In
de praktijk blijken arbeiders die hun job verliezen door een verhuizing
van de productie naar lagelonenlanden niet altijd omschoolbaar tot
geschikte werknemers in de sectoren die winnen bij vrijhandel. Als de
winnaars bij vrijhandel de welvaartsdaling van de verliezers niet helpen
te compenseren en hun winsten elders investeren, zal het zogenaamde
‘trickle-down’-effect zich in vele gevallen niet manifesteren.
De
New Economics Foundation becijferde dat de wereldwijde verlichting van
de extreme armoede met 1 dollar, in de periode 1990-2001 een mondiale
economische groei met 166 dollar vereiste. De extra welvaart door
vrijhandel bereikt dus amper de onderlagen.
Mythe 3: Vrijhandel zorgt voor meer afroombare bedrijfswinsten.
Die
bedrijfswinsten worden echter meer en meer een ‘vliegend doel’ dat door
natiestaten nog moeilijk te treffen valt. Een groot deel van de
wereldhandel vindt immers plaats tussen de verschillende filialen van
een en hetzelfde bedrijf. Via het systeem van ‘transfer pricing’ - het
systematisch onder- of overschatten van de prijs van intermediaire
producten en diensten binnen de ruimtelijk uiteengelegde productieketen
van het bedrijf - kan dat bedrijf zelf beslissen waar in de
productieketen ze haar winsten laat ontstaan. Die ontstaan bij voorkeur
in belastingvrije of -milde regio’s. Op die manier worden de
vrijhandelswinsten uit de zuiderse landen weggesluisd. Wereldwijd nemen
de belastingen op bedrijfswinsten af ten nadele van de belastingen op
lonen.
Mythe 4: Vrijhandel is de oplossing voor het hongerprobleem.
Exportgerichte
productie van landbouwproducten voor de wereldmarkt drukt de productie
van basisvoedsel voor de lokale bevolking weg. De inkomsten die de
schaarse grootgrondbezitters daardoor genereren, worden vooral gebruikt
voor de import van luxegoederen uit het buitenland. Ook aan die
inkomsten hebben de lokale economie en de armen dus niets. Vrijhandel
zorgt daardoor vaak voor meer honger in plaats van minder.
Mythe :5 Vrijhandel leidt tot minder milieuvervuiling.
Extra
welvaart door vrijhandel zou volgens de zogenaamde Kuznetscurve leiden
tot een kleinere impact op het milieu. Meer welvarende burgers eisen dan
meer milieubeschermende maatregelen en nieuwe technologische
mogelijkheden maken die ook mogelijk. Onderzoek maakt echter duidelijk
dat die relatie niet opgaat voor mondiale milieuproblemen zoals de
opwarming van de aarde. Hier geldt: hoe welvarender de landen, hoe
vervuilender. In een vrijgemaakte wereldmarkt ontstaat bovendien de druk
om natuurlijk kapitaal (minerale en biologische grondstoffen) om te
zetten in economisch kapitaal. Een gekapte boom is op de wereldmarkt
meer waard dan een levende. Bovendien remt de door vrijhandel
aangespoorde internationale concurrentiestrijd overheden af om via
regulering milieukosten te vermijden of door te rekenen (regulatory
chill). Kijk maar naar de discussie over de vrijstelling van sectoren in
de veiling van uitstootrechten binnen het Europees
emissiehandelssysteem. De sectoren die blootstaan aan koolstoflekken
(het verschuiven van investeringen en marktaandelen naar regio’s zonder
regulering) zullen niet (ten volle) moeten betalen voor hun uitstoot.
Drenkelingen
Kortom:
meer vrijhandel die niet maatschappelijk is ingebed zorgt niet voor de
vloedgolf van welvaart die - zoals de theorie wil - alle schepen optilt.
Integendeel, vele schepen slaan erdoor te pletter, zonder dat de
drenkelingen door andere schepen worden opgepikt. De internationale
mobiliteit van kapitaal, de onevenwichtige machtsverhoudingen tussen
naties, de kwetsbaarheid van een land door de doorgedreven specialisatie
in eigen comparatieve voordelen, de problemen met de interne
distributie van de gecreëerde handelsvoordelen, de normenverlagende
dynamiek,... Al die elementen hebben tot gevolg dat vrijhandel vaak in
het nadeel is van de economische ontwikkeling van een land en de
realisatie van sociale en ecologische doelstellingen belemmert. Alvorens
de handel met de wereldmarkt verder vrij te maken, hebben we nood aan
‘eerlijke handel’ in een globaal reglementair kader dat herverdelend
werkt, de toegang tot de biosfeer regelt, ontwikkelingslanden de kans
geeft hun landbouwsector af te schermen ten voordele van
voedselzekerheid en minder ontwikkelde landen toelaat hun economie eerst
binnen regionale markten te integreren en toegevoegde waarde te creëren
door verdere verwerking.
Kritiek op het protectionisme is vaak terecht. Maar dat betekent nog
niet dat vrijhandel voor iedereen voordelen oplevert, zoals de
aanhangers van de vrijhandel claimen.
Mythes over vrijhandel
Wereldwijd nemen de belastingen op bedrijfswinsten af ten nadele van de belasting op lonen.
De Amerikaans-Indiase econoom Jagdish Bhagwati hekelde in De
Tijd van 3 augustus de hardnekkige mythes over protectionisme. Het
weerleggen van die mythes bevestigt daarom nog niet de claims van
welvaartsstijging voor iedereen waarmee vrijhandelsadepten doorgaans een
verdere vrijmaking van het handelsverkeer bepleiten. Eerder dan me in
te laten met de - vaak terechte - kritiek op de protectionisten, wil ik
daarom hier enkele hardnekkige mythes over de voordelen van vrijhandel
de wereld uit helpen.
l Mythe 1 Alle bij vrijhandel betrokken landen gaan erop vooruit.
De zogenaamde theorie van de comparatieve voordelen van David
Ricardo gaat ervan uit dat bij vrijhandel landen zich zullen
specialiseren in de productie van goederen die ze ten opzichte van
andere landen goedkoper kunnen voortbrengen. Op die manier worden de
schaarse beschikbare middelen (grond, kapitaal, arbeid.) optimaal
ingezet om een zo groot mogelijke output te bereiken. Door dingen te
exporteren die je relatief beter kan produceren, kan je in ruil meer
dingen importeren die je zelf minder goed maakt. Zo doen zelfs landen
die nergens in uitblinken hun voordeel bij vrijhandel en krikken ook zij
hun welvaartspeil op.
Wat daarbij doorgaans vergeten wordt, is dat Ricardo enkele
harde voorwaarden stelde aan zijn theorie, zoals de immobiliteit van
kapitaal of arbeid tussen landen. Zodra kapitaal ongelimiteerd de
grenzen over kan, zijn het eerder de absolute voordelen die tellen in
plaats van de relatieve. In theorie mag je als land dan wel geld
uitsparen door die producten te importeren die goedkoper elders gemaakt
kunnen worden, maar de mobiliteit van kapitaal heeft tot gevolg dat het
uitgespaarde kapitaal niet per definitie terug in eigen land wordt
geïnvesteerd in activiteiten die relatief gezien beter presteren.
Integendeel: het uitgespaarde kapitaal zal daar worden geïnvesteerd waar
de opbrengsten het grootst zijn en dat kan best in een ander land. Het
is dus zeker niet zo dat vrijhandel steeds in het voordeel is van alle
handelspartners en leidt tot een vloed aan welvaart die alle schepen
optilt.
l Mythe 2 Vrijhandel leidt tot minder armoede.
Extra welvaart door vrijhandel zou de welvaartsvoordelen van
exporterende sectoren doen doorsijpelen naar andere sectoren en
bevolkingsgroepen. In de praktijk blijken arbeiders die hun job
verliezen door een verhuizing van de productie naar lagelonenlanden niet
altijd omschoolbaar tot geschikte werknemers in de sectoren die winnen
bij vrijhandel. Als de winnaars bij vrijhandel de welvaartsdaling van de
verliezers niet helpen te compenseren en hun winsten elders investeren,
zal het zogenaamde 'trickle-down'-effect zich in vele gevallen niet
manifesteren.
De New Economics Foundation becijferde dat de wereldwijde
verlichting van de extreme armoede met 1 dollar, in de periode 1990-2001
een mondiale economische groei met 166 dollar vereiste. De extra
welvaart door vrijhandel bereikt dus amper de onderlagen.
l Mythe 3 Vrijhandel zorgt voor meer afroombare bedrijfswinsten.
Die bedrijfswinsten worden echter meer en meer een 'vliegend
doel' dat door natiestaten nog moeilijk te treffen valt. Een groot deel
van de wereldhandel vindt immers plaats tussen de verschillende filialen
van een en hetzelfde bedrijf. Via het systeem van 'transfer pricing' -
het systematisch onder- of overschatten van de prijs van intermediaire
producten en diensten binnen de ruimtelijk uiteengelegde productieketen
van het bedrijf - kan dat bedrijf zelf beslissen waar in de
productieketen ze haar winsten laat ontstaan. Die ontstaan bij voorkeur
in belastingvrije of -milde regio's. Op die manier worden de
vrijhandelswinsten uit de zuiderse landen weggesluisd. Wereldwijd nemen
de belastingen op bedrijfswinsten af ten nadele van de belastingen op
lonen.
l Mythe 4 Vrijhandel is de oplossing voor het hongerprobleem.
Exportgerichte productie van landbouwproducten voor de
wereldmarkt drukt de productie van basisvoedsel voor de lokale bevolking
weg. De inkomsten die de schaarse grootgrondbezitters daardoor
genereren, worden vooral gebruikt voor de import van luxegoederen uit
het buitenland. Ook aan die inkomsten hebben de lokale economie en de
armen dus niets. Vrijhandel zorgt daardoor vaak voor meer honger in
plaats van minder.
l Mythe 5 Vrijhandel leidt tot minder milieuvervuiling.
Extra welvaart door vrijhandel zou volgens de zogenaamde
Kuznetscurve leiden tot een kleinere impact op het milieu. Meer
welvarende burgers eisen dan meer milieubeschermende maatregelen en
nieuwe technologische mogelijkheden maken die ook mogelijk. Onderzoek
maakt echter duidelijk dat die relatie niet opgaat voor mondiale
milieuproblemen zoals de opwarming van de aarde. Hier geldt: hoe
welvarender de landen, hoe vervuilender. In een vrijgemaakte wereldmarkt
ontstaat bovendien de druk om natuurlijk kapitaal (minerale en
biologische grondstoffen) om te zetten in economisch kapitaal. Een
gekapte boom is op de wereldmarkt meer waard dan een levende. Bovendien
remt de door vrijhandel aangespoorde internationale concurrentiestrijd
overheden af om via regulering milieukosten te vermijden of door te
rekenen (regulatory chill). Kijk maar naar de discussie over de
vrijstelling van sectoren in de veiling van uitstootrechten binnen het
Europees emissiehandelssysteem. De sectoren die blootstaan aan
koolstoflekken (het verschuiven van investeringen en marktaandelen naar
regio's zonder regulering) zullen niet (ten volle) moeten betalen voor
hun uitstoot.
Drenkelingen
Kortom: meer vrijhandel die niet maatschappelijk is ingebed
zorgt niet voor de vloedgolf van welvaart die - zoals de theorie wil -
alle schepen optilt. Integendeel, vele schepen slaan erdoor te pletter,
zonder dat de drenkelingen door andere schepen worden opgepikt. De
internationale mobiliteit van kapitaal, de onevenwichtige
machtsverhoudingen tussen naties, de kwetsbaarheid van een land door de
doorgedreven specialisatie in eigen comparatieve voordelen, de problemen
met de interne distributie van de gecreëerde handelsvoordelen, de
normenverlagende dynamiek,... Al die elementen hebben tot gevolg dat
vrijhandel vaak in het nadeel is van de economische ontwikkeling van een
land en de realisatie van sociale en ecologische doelstellingen
belemmert. Alvorens de handel met de wereldmarkt verder vrij te maken,
hebben we nood aan 'eerlijke handel' in een globaal reglementair kader
dat herverdelend werkt, de toegang tot de biosfeer regelt,
ontwikkelingslanden de kans geeft hun landbouwsector af te schermen ten
voordele van voedselzekerheid en minder ontwikkelde landen toelaat hun
economie eerst binnen regionale markten te integreren en toegevoegde
waarde te creëren door verdere verwerking.
Kritiek op het protectionisme is vaak terecht.
Maar dat betekent nog niet dat vrijhandel voor iedereen voordelen
oplevert, zoals de aanhangers van de vrijhandel claimen.
De Amerikaans-Indiase econoom
Jagdish Bhagwati hekelde in De Tijd van 3 augustus de hardnekkige
mythes over protectionisme. Het weerleggen van die mythes bevestigt
daarom nog niet de claims van welvaartsstijging voor iedereen waarmee
vrijhandelsadepten doorgaans een verdere vrijmaking van het
handelsverkeer bepleiten. Eerder dan me in te laten met de - vaak
terechte - kritiek op de protectionisten, wil ik daarom hier enkele
hardnekkige mythes over de voordelen van vrijhandel de wereld uit
helpen.
Mythe 1: Alle bij vrijhandel betrokken landen gaan erop vooruit.
De
zogenaamde theorie van de comparatieve voordelen van David Ricardo gaat
ervan uit dat bij vrijhandel landen zich zullen specialiseren in de
productie van goederen die ze ten opzichte van andere landen goedkoper
kunnen voortbrengen. Op die manier worden de schaarse beschikbare
middelen (grond, kapitaal, arbeid…) optimaal ingezet om een zo groot
mogelijke output te bereiken. Door dingen te exporteren die je relatief
beter kan produceren, kan je in ruil meer dingen importeren die je zelf
minder goed maakt. Zo doen zelfs landen die nergens in uitblinken hun
voordeel bij vrijhandel en krikken ook zij hun welvaartspeil op.
Bart Martens
Vlaams volksvertegenwoordigerc voor de sp.a.
Is het niet eens met de stelling dat vrijhandel altijd zaligmakend is.
Pleit daarentegen voor 'eerlijke' handel die het ook mogelijk maakt sociale en ecologische doelstellingen te realiseren.
Wat
daarbij doorgaans vergeten wordt, is dat Ricardo enkele harde
voorwaarden stelde aan zijn theorie, zoals de immobiliteit van kapitaal
of arbeid tussen landen. Zodra kapitaal ongelimiteerd de grenzen over
kan, zijn het eerder de absolute voordelen die tellen in plaats van de
relatieve. In theorie mag je als land dan wel geld uitsparen door die
producten te importeren die goedkoper elders gemaakt kunnen worden, maar
de mobiliteit van kapitaal heeft tot gevolg dat het uitgespaarde
kapitaal niet per definitie terug in eigen land wordt geïnvesteerd in
activiteiten die relatief gezien beter presteren. Integendeel: het
uitgespaarde kapitaal zal daar worden geïnvesteerd waar de opbrengsten
het grootst zijn en dat kan best in een ander land. Het is dus zeker
niet zo dat vrijhandel steeds in het voordeel is van alle
handelspartners en leidt tot een vloed aan welvaart die alle schepen
optilt.
Mythe 2: Vrijhandel leidt tot minder armoede.
Extra
welvaart door vrijhandel zou de welvaartsvoordelen van exporterende
sectoren doen doorsijpelen naar andere sectoren en bevolkingsgroepen. In
de praktijk blijken arbeiders die hun job verliezen door een verhuizing
van de productie naar lagelonenlanden niet altijd omschoolbaar tot
geschikte werknemers in de sectoren die winnen bij vrijhandel. Als de
winnaars bij vrijhandel de welvaartsdaling van de verliezers niet helpen
te compenseren en hun winsten elders investeren, zal het zogenaamde
‘trickle-down’-effect zich in vele gevallen niet manifesteren.
De
New Economics Foundation becijferde dat de wereldwijde verlichting van
de extreme armoede met 1 dollar, in de periode 1990-2001 een mondiale
economische groei met 166 dollar vereiste. De extra welvaart door
vrijhandel bereikt dus amper de onderlagen.
Mythe 3: Vrijhandel zorgt voor meer afroombare bedrijfswinsten.
Die
bedrijfswinsten worden echter meer en meer een ‘vliegend doel’ dat door
natiestaten nog moeilijk te treffen valt. Een groot deel van de
wereldhandel vindt immers plaats tussen de verschillende filialen van
een en hetzelfde bedrijf. Via het systeem van ‘transfer pricing’ - het
systematisch onder- of overschatten van de prijs van intermediaire
producten en diensten binnen de ruimtelijk uiteengelegde productieketen
van het bedrijf - kan dat bedrijf zelf beslissen waar in de
productieketen ze haar winsten laat ontstaan. Die ontstaan bij voorkeur
in belastingvrije of -milde regio’s. Op die manier worden de
vrijhandelswinsten uit de zuiderse landen weggesluisd. Wereldwijd nemen
de belastingen op bedrijfswinsten af ten nadele van de belastingen op
lonen.
Mythe 4: Vrijhandel is de oplossing voor het hongerprobleem.
Exportgerichte
productie van landbouwproducten voor de wereldmarkt drukt de productie
van basisvoedsel voor de lokale bevolking weg. De inkomsten die de
schaarse grootgrondbezitters daardoor genereren, worden vooral gebruikt
voor de import van luxegoederen uit het buitenland. Ook aan die
inkomsten hebben de lokale economie en de armen dus niets. Vrijhandel
zorgt daardoor vaak voor meer honger in plaats van minder.
Mythe :5 Vrijhandel leidt tot minder milieuvervuiling.
Extra
welvaart door vrijhandel zou volgens de zogenaamde Kuznetscurve leiden
tot een kleinere impact op het milieu. Meer welvarende burgers eisen dan
meer milieubeschermende maatregelen en nieuwe technologische
mogelijkheden maken die ook mogelijk. Onderzoek maakt echter duidelijk
dat die relatie niet opgaat voor mondiale milieuproblemen zoals de
opwarming van de aarde. Hier geldt: hoe welvarender de landen, hoe
vervuilender. In een vrijgemaakte wereldmarkt ontstaat bovendien de druk
om natuurlijk kapitaal (minerale en biologische grondstoffen) om te
zetten in economisch kapitaal. Een gekapte boom is op de wereldmarkt
meer waard dan een levende. Bovendien remt de door vrijhandel
aangespoorde internationale concurrentiestrijd overheden af om via
regulering milieukosten te vermijden of door te rekenen (regulatory
chill). Kijk maar naar de discussie over de vrijstelling van sectoren in
de veiling van uitstootrechten binnen het Europees
emissiehandelssysteem. De sectoren die blootstaan aan koolstoflekken
(het verschuiven van investeringen en marktaandelen naar regio’s zonder
regulering) zullen niet (ten volle) moeten betalen voor hun uitstoot.
Drenkelingen
Kortom:
meer vrijhandel die niet maatschappelijk is ingebed zorgt niet voor de
vloedgolf van welvaart die - zoals de theorie wil - alle schepen optilt.
Integendeel, vele schepen slaan erdoor te pletter, zonder dat de
drenkelingen door andere schepen worden opgepikt. De internationale
mobiliteit van kapitaal, de onevenwichtige machtsverhoudingen tussen
naties, de kwetsbaarheid van een land door de doorgedreven specialisatie
in eigen comparatieve voordelen, de problemen met de interne
distributie van de gecreëerde handelsvoordelen, de normenverlagende
dynamiek,... Al die elementen hebben tot gevolg dat vrijhandel vaak in
het nadeel is van de economische ontwikkeling van een land en de
realisatie van sociale en ecologische doelstellingen belemmert. Alvorens
de handel met de wereldmarkt verder vrij te maken, hebben we nood aan
‘eerlijke handel’ in een globaal reglementair kader dat herverdelend
werkt, de toegang tot de biosfeer regelt, ontwikkelingslanden de kans
geeft hun landbouwsector af te schermen ten voordele van
voedselzekerheid en minder ontwikkelde landen toelaat hun economie eerst
binnen regionale markten te integreren en toegevoegde waarde te creëren
door verdere verwerking.