|
Bart Martens stelde aan minister Crevits de vraag welke de beoordelingscriteria zullen zijn waar nieuwe verwerkingsinstallaties aan moeten voldoen. Volgens het planscenario in het uitvoeringsplan Huishoudelijke afvalstoffen zullen we tegen 2015 een tekort hebben van 272.000 ton verwerkingscapaciteit. Intussen worden we geconfronteerd met plannen en projecten voor de bouw van nieuwe installaties die dat tekort van 272.000 ton verwerkingscapaciteit ferm overschrijden.
Indaver heeft een MER lopen voor een vierde lijn in haar roosteroven in Beveren van 200.000 ton. Bionerga plant in Limburg een installatie die netto 190.000 ton extra verwerkingscapaciteit oplevert. Dat getal houdt rekening met de sluiting van de installatie in Houthalen. In Kampenhout plant Recover Energy een roosteroven voor 150.000 ton, waar een aanzienlijke hoeveelheid huishoudelijke afvalstoffen en gelijkgesteld bedrijfsafval zal worden verwerkt. De voltallige gemeenteraad van Kampenhout verzet zich overigens tegen dat project. De Group Machiels plant een verbrandingsinstallatie op de Remo-stortplaats in Houthalen. ISVAG onderzoekt niet alleen de verhuis, maar ook de uitbreiding tot 300.000 en zelfs tot 500.000 ton. Alles samen komen we aan minimaal 500.000 ton extra verwerkingscapaciteit, terwijl het afvalstoffenplan maar 272.000 ton bijkomende capaciteit toestaat.
Er wordt dus dubbel zoveel bijkomend gepland als waarin in het uitvoeringsplan huishoudelijk afval is voorzien. Als al die installaties worden vergund en gebouwd, dreigen we een overcapaciteit te krijgen die ertoe zal leiden dat er ofwel afval zal moeten worden geïmporteerd, en dan dreigen we de vuilbak van Europa te worden, ofwel dat het afval dat nu naar recyclage gaat, zou worden aangetrokken om verbrand te worden. Materiaalrecuperatie heeft nog altijd de voorkeur ten opzichte van energierecuperatie. Recyclage staat hoger aangeschreven in onze afvalbeheershiërarchie.
Bart Martens maakt zich vooral zorgen om de overcapaciteit. Volgens het uitvoeringsplan zullen nieuwe installaties beoordeeld worden op hun technologische aspecten en de mate waarin ze voldoen aan de beste beschikbare technologieën (BBT). Maar hoe zal die toets aan het BBT-criterium gebeuren?
De vraag rijst nu hoe de overheid een keuze zal maken tussen meerdere installaties die op het eerste gezicht allemaal aan de gestelde criteria zouden voldoen. Wat zal er gebeuren als er een groter aanbod aan nieuwe verwerkingscapaciteit wordt aangevraagd dan wat het afvalstoffenplan vergunbaar acht? Zal dan het principe ‘wie eerst komt, eerst maalt' worden gehanteerd? Zullen de eerste verwerkers die klaar zijn met hun vergunningsaanvraag, mogen doorgaan en zullen de anderen lik op stuk krijgen? Of zal een keuze gemaakt worden op basis van andere criteria, zoals de structurele betrokkenheid van openbare besturen, de impact op de milieugebruiksruimte, de ligging ten aanzien van de afvalproductie of de synergie met andere installaties?
Ook de energetische rendementen vragen meer aandacht. Nieuwe centrales in Nederland hebben allemaal een energetisch rendement dat veel hoger ligt dan het energetische rendement in de plannen in Vlaanderen. Het afvalenergiebedrijf in Amsterdam heeft in september 2007 een verwerkingsinstallatie van 500.000 ton opgestart met een netto elektrisch rendement van meer dan 30 percent. Dat is vele malen hoger dan het energetisch rendement dat onze verbrandingsinstallaties en ook de nieuw aangekondigde installaties halen.
De installatie in Hengelo in Nederland, waarvan eind 2006 de bouw is gestart en die half dit jaar opstart, haalt een energierendement tussen de 29 en de 31 percent. De verbrandingsinstallatie in Rozenburg in Nederland, die ook dit jaar zal opstarten, heeft een energetisch rendement tussen de 28 en de 32 percent. De installatie in Duiven in Nederland, die einde 2007 is opgestart, heeft een energetisch rendement van 32 percent. Blijkbaar slaagt Nederland er veel beter in om uit afval veel energie te halen. Moeten we in Vlaanderen geen minimale norm op het vlak van het energierendement opleggen aan de nieuwe installaties, zodat op basis van dat criterium al een heel aantal installaties zouden kunnen uitvallen en we veel meer energie uit afval kunnen halen?
In haar antwoord zegt minister Crevits dat de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM) in het kader van haar adviesverlening een strategie uitwerkt om de aspecten voor vergunningverlening te beoordelen. Volgens de minister is het daarvoor nog niet te laat, omdat tot op heden nog geen enkele concrete aanvraag ingediend werd. Er kan dus nog geen uitspraak gedaan worden over een rangschikking van mogelijke projecten. Sp.a vindt wel dat hier dringend werk van moet gemaakt worden, omdat het van belang is dat de strategie op poten staat voor OVAM begint te toetsen.
Minister Crevits wil geen concrete doelstelling vermelden inzake het minimumenergierendement dat moet worden behaald. ‘Voor nieuwe installaties moet in functie van de inplantingsplaats en de lokale mogelijkheden uiteraard gestreefd worden naar maximale energierendementen. Het vastleggen van een minimumrendement zou ertoe kunnen leiden dat geen maximalisatie nagestreefd wordt.' Zegt minister Crevits. Sp.a vindt dit uiteraard een spijtige zaak en hoopt dat de regering alsnog instrumenten zal uitwerken om het energetisch rendement van afvalverwerkingsinstallaties te verhogen.
Lees het volledig verslag op http://jsp.vlaamsparlement.be/website/htm-vrg/517589.html
|